mama company Archieven - barbarasevenstern.nl

Tag: mama company

  • Hoe overleef ik de binnenspeeltuin?

    Hoe overleef ik de binnenspeeltuin?

    Als ik ergens niet dood gevonden wil worden is het in de binnenspeeltuin. Een kans die, eenmaal binnen, overigens meer dan gering is. Want wat voor kinderen een hemel van vrijheid is, is voor de meeste ouders een hel van gegil en hysterie.

    Grote loodsen met klim-, klauter-, glij-, spring- en valplezier en in sommige gevallen ook nog de mogelijkheid tot voetballen, autorijden (tegen extra betaling) en legobouwen. Om onduidelijke redenen ook altijd luisterend naar Engelse namen als Monkey Town’s en Kids Playground.

    Ongevoelig

    Ik ken ouders die weigeren ook maar één stap in een dergelijke hol te zetten en daar heb ik alle begrip voor. Toch behoor ik niet tot die groep, simpelweg vanwege mijn kinderen. Hun neusjes zijn ongevoelig voor de frituur-, zweet- en babypoep luchten.  Tosti’s liggen half opgegeten koud te worden op de wit papieren kantineservetten, want klimmen en springen is zo veel leuker dan eten. Liters mierzoete limonade (rood, oranje of groen) worden gulzig naar binnen geklokt en weg zijn ze. Dat er niet regelmatig gespuugd wordt mag een wonder heten.

    Overleven

    De overlevingsstrategie is zitten en alles over je heen laten komen. Doe als Elsa en laat het gaan. Vraag je niet bij elke gil af of er iemand dood gaat of ruzie maakt. Draai je vooral om als je vierjarige kleuter een ogenschijnlijke doodsprong maakt in de elastieken toren. Je mist dan ook direct de vijf jongetjes die zich met een gevaarlijk verhoogd testerongehalte in diezelfde toren werpen. Met je kleuter er nog in. Ik zeg je, het scheelt een hoop stress.

    Lotgenoten

    Zelf kan ik mij uitermate goed vermaken met het gadeslaan van mijn lotgenoten. Zo zitten de meer hippe ouders zo ver mogelijk van hun spelend kroost af op een iPad of notebook te turen, terwijl grootouders juist vaak de kleinkinderen vanaf de eerste rij tafels verwonderd gadeslaan. Vriendinnen-moeder vinden elkaar rond één centrale tafel, omringd door kinderzooi. Vrienden-vaders heb ik er nooit kunnen ontdekken.

    De mooiste groep vind ik de ouders die, al dan niet uit noodzaak, met hun kinderen de ballenbak induiken. Met name de categorie vader-met-kater, die in de hoek van zo’n bak ligt te overleven. Zijn hoofd bonkt en hij is duidelijk niet gekleed op actief speelplezier. Stiekeme pogingen om op de mobiele telefoon te kijken, worden onmiddellijk afgestraft door een bal tegen het hoofd. Zelf laat ik mij nooit verleiden tot een klim- en klauter-activiteiten. Mijn rol is de limonade en tosti´s regelen, begeleiding van toiletgangen en tranen drogen waar nodig. Met andere woorden: ik ben de zen in de chaos.

    A-sociaal

    Er is echter één ding wat mij direct uit mijn zen haalt. Dat niet opweegt tegen de blij verhitte gezichten van mijn kinderen, maar mij onmiddellijk besluit te vertrekken. En dat is het a-sociale publiek dat helaas ook regelmatig een binnenspeeltuin bezoekt. Kinderen die denken alleenrecht te hebben op de ballenbak. Te oude kinderen die van de klim- en klauterbanen een ren- en valparcours maken, daarmee alles onder zeven jaar ruw uit de weg ruimend. Geen ouder die corrigeert. Blijkbaar zijn die nog wel zen. Of (en dit vermoed ik) vinden ze het al lang best dat hun kroost hen niet lastig valt. Ik heb één keer meegemaakt dat de ouders gingen meedoen, de hele LEGO-hoek namen ze over. Ik heb er wat van gezegd tegen de organisatie, er zijn types die je liever niet zelf op hun gedrag aanspreekt.

    Volgend jaar

    Zen in de chaos is dus mijn devies voor een bezoek aan de binnenspeeltuin. ‘Wat als ik mijn kind nog moet begeleiden bij zijn spring- en klauteractiviteiten?’ hoor ik je denken. Dan is zen inderdaad een stuk lastiger en moet je je sterk afvragen of Monkey Town en Kids Playground niet best een paar jaar kunnen wachten?!

    Deze blog is ook gepubliceerd bij De Mama Company

  • Ik moet helemaal niets!

    Ik moet helemaal niets!

    ‘Je gaat nu slapen.’

    Met drie grote stappen loop ik boos de kamer uit. Aan de andere kant van de hal hangt zoon nummer twee als een ramptoerist uit zijn bed om niets te missen van de discussie tussen mij en zijn oudere broer.

    ´Wil hij niet slapen, mamma?’

    Ik schud geërgerd mijn hoofd. ´Dat maakt niet uit, het is acht uur, hij moet nu slapen.’

    ‘Ja, maar wil hij niet slapen?’

    ‘Nee, maar hij moet het wel.´

    Nummer twee kijkt mij peinzend aan. ´Maar mamma, het gaat er toch om of hij wil?’

    Vijf jaar en dan al de wijsheid van een oude man.


    Wat is dat toch met dat moeten?
    Als ik het gevoel heb iets te moeten, voel ik onmiddellijk allerlei vormen van weerstand opkomen. ‘Ik moet niets!’ roep je echter wat makkelijker tegen je kinderen (die dat dan helaas direct overnemen) dan tegen een collega of kennis. Vaak is het woord ‘moeten’ niet eens gevallen, maar is het wel duidelijk dat je geacht wordt ergens gevolg aan te geven. Door de hiërarchische verhouding waarin je staat of een eerder gedane belofte.

    Iemand zei ooit tegen mij dat ik niets moet.
    ´Van moeten naar willen,´ zei ze, ´en daarna kijken we pas naar het kunnen.´
    Het is drie jaar geleden en ik lig uitgeput bij mijn nieuwe coach op de bank, opzoek naar het enige dat ik niet heb: rust.

    Ik wil niet meer geleefd worden.

    ´Je wordt niet geleefd,´ zegt de coach, ´je laat je leven.´

    Was dat zo? Liet ik mij leven? Ik, die er juist zo trots op was haar eigen keuzes te maken.

    ‘Wat heb je gisteren gedaan?’ vraagt ze.

    Ik som een lange lijst van activiteiten op. Mijn coach kijkt veelbetekenend, maar zegt niets.

    ‘Uiteindelijk lag ik er natuurlijk toch weer te laat in,’ eindig ik verontschuldigend.

    Het was niet eens dat al mijn activiteiten in de categorie ‘vervelende klusjes’ vielen. Ik had gezellig gelunched met een vriendin en het feit dat ik na het eten toch nog achter de computer was gekropen om een rapport af te schrijven voor werk, had mij een voldaan gevoel gegeven. Dat ik vervolgens door een te vol hoofd niet in slaap kon komen en mij de volgende dag gebroken voelde, gebeurde wel vaker.

    Verantwoordelijkheid en bewijsdrang
    Ik ben het type dat vooral heel veel van zichzelf moet. Ik denk dat de omgeving dingen van mij verwacht, maar eigenlijk ben ik zelf degene die mij daarvoor verantwoordelijk maakt.

    ‘Als ik het niet doe, wie doet het dan wel?’

    ‘Ik heb hier geen opleiding voor gehad, dus is het belangrijk te laten zien dat ik het wel kan.’

    ‘Ik kan deze klus het beste zelf doen, dat gaat het snelst.’

    Dodelijk vermoeiend.

    Bovenstaand wordt namelijk gevoed door irrationele gedachten. In mijn geval was dat de drang naar overdreven perfectionisme om mijzelf te bewijzen. En waarom? Het gaat immers om het eindresultaat, dat betekent niet dat je alles per se zelf hoeft te doen.

    Balans
    Een half jaar voordat ik op die bank van de coach belandde, had ik mijn leidinggevende functie omgewisseld voor een meer operationele rol binnen mijn eigen team. Een handvol collega’s begreep mijn beslissing niet, zij zagen het als een stap terug. Voor mij was het echter een stap voorruit, ik kreeg er een betere werk-privé balans voor terug.

    De functie van manager was een fulltime positie, op papier 36 uur per week en in mijn eigen praktijk zo´n 50 uur. In combinatie met drie jonge kinderen wilde ik dat niet meer.

    En daar zit het verschil. Ik wilde namelijk een functie van 32 uur, maar had de afgelopen twee jaar veel meer uren van mijzelf moeten werken. Omdat het nooit genoeg was, en hoe meer ik dat vond, hoe harder ik ging rennen.

    Gelukkig ben ik op tijd gestopt en niet over de kop geslagen. Want dat was zeker gebeurd, als ik niet van functie was gewisseld. En de reactie die ik hierop voornamelijk kreeg?

    ´Ik vroeg me al af hoe je het vol hield.´

     

    Deze post is ook gepubliceerd bij De Mama Company